Categoriearchief: Blogs

Horizontale sturing is de redding voor de ongemotiveerde en luie leerling (en docent)


Het onderwijs op de school waar ik werk is volop in beweging. Als een van de weinige scholen in Arnhem is er sprake van een flinke leerlingengroei op onze school met ongeveer 30%. Dat is natuurlijk een mooi percentage.

Groei in leerlingenaantallen is wat mij betreft niet een doel op zich. Maar het is wel prettig om te constateren dat een school in een krimpregio in twee jaar tijd groeit van 120 naar bijna  200 leerlingen. Dat biedt financieel meer mogelijkheden, we zijn erdoor in staat om verder te werken aan professionalisering om de kwaliteit van ons onderwijs te verbeteren.

In de kennismakingsgesprekken die wij met ouder(s)/verzorger(s) (inclusief kind) voeren is één van de vragen hoe zij bij onze school terecht zijn gekomen. Het meest gehoorde antwoord is dat ze op het spoor van onze school zijn gezet door mensen in hun netwerk die kinderen op onze school hebben. Het lijkt erop dat klassieke mond-tot-mond reclame ook in een tijd van veranderingen nog altijd een goede manier van marketing is.

Vanuit die wetenschap  vind ik het een interessante vraag hoe de relatie eruit ziet tussen tevredenheid van leerlingen en ouders en de manier waarop wij ons onderwijs inrichten. De afgelopen maanden kom ik tot de ontdekking dat ik het antwoord op die vraag niet moet zoeken in systemen, overheden  of andere organen die niet binnen mijn cirkel van invloed liggen. 

Zo gebruikte minister Bussemaker het OESO-rapport als zeepkist om te verkondigen dat het eigenlijk heel goed gaat met ons onderwijs. Ik verwonder mij over dat beeld want ik vraag me af hoe je kunt stellen dat het Nederlandse onderwijs tot het beste ter wereld behoort terwijl er geen land is waar leerlingen zo ongemotiveerd zijn voor de dagelijkse schoolgang? Dat klinkt voor mij als de wereldvoetbalbond FIFA die aangeeft dat de bouw van de voetbalstadions voor het WK in Qatar in 2022 succesvol verloopt, terwijl iedereen de schrijnende omstandigheden kent van de arbeiders die deze voetbaltempels aan het bouwen zijn. Voor mij is het een wonder dat ons onderwijs – ondanks het systeem in Nederland- uberhaupt nog functioneert. Hoe dat kan anno 2016, daarover zet t Jan Rothmans in zijn boek Verandering van tijdperk  een interessante analyse uiteen:  We leven  in een tijd waarin een onderstroom van conservatieve krachten aanwezig is die ons onderwijs zoveel mogelijk bij het oude willen laten.

Een aardig voorbeeld van zo’n conservatieve kracht, trof ik aan in het artikel van Lotte Jensen dat op 27 mei jl. in de Volkskrant verscheen. Deze universitair hoofddocent Nederlandse letterkunde aan de Universiteit Nijmegen bepleit dat een ieder zichzelf respecterend land zou het onderwijs in de eigen taal en cultuur de hoogste prioriteit moeten geven. Anders dreigt er een regelrechte ramp, namelijk een land zonder goed geschoolde docenten Nederlands. Het is voor mij de vraag hoe desastreus dat eigenlijk is. Hoe had de samenleving gereageerd als de directie van V&D in de media had gepleit om toch vooral artikelen bij de V&D te blijven kopen omdat er anders een regelrechte ramp dreigt, namelijk het verdwijnen van haar keten uit het klassieke straatbeeld? Het klinkt voor mij  een beetje als: Wij van WC-eend adviseren u WC-eend! De les die ik uit het faillissement van V&D trek: ga met je tijd mee om te voorkomen dat je vastloopt. 

Volgens Ben van der Hilst – auteur van het boek Blauwdruk voor de emergente school – gaat dat met  onderwijs waarin wordt samengewerkt om de school te laten functioneren als innovatieve en lerende organisatie. Dit boek ben ik aan het lezen – ik ben op de helft – en ik merk dat ik ontwaak uit een soort winterslaap van traditioneel denken. Ik geloof dat ik dan op de goede weg ben, want hij start zijn boek met de uitspraak: in organisaties waar het wakker liggen goed geregeld is, wordt het best geslapen. De afgelopen weken ben ik als docent  een beetje wakker geworden: zo heb ik mijn methode Nieuw Nederlands weggelegd en ben in plaats daarvan een aantal projecten gestart waar leerlingen in groepen aan een product werken. Dit varieerde van sollicitatiefilmpjes samenstellen tot tijdschriften ontwerpen en boekentrailers maken. Mijn leerlingen kregen een aantal weken de ruimte om zelf te bepalen welke inhoud zij nodig hebben om mijn doelen te bereiken en vanuit welke rol of positie zij dat willen doen. Leerlingen betrok ik bij de beoordeling. Het proces ervan gebruikte ik om te onderzoeken hoe het resultaat tot stand is gekomen en welke bruikbare lessen hieruit kunnen worden opgemaakt.

Wanneer ik terugblik op de drie verschillende klassen en opdrachten, dan ontdek ik een herkenbaar patroon: mijn leerlingen waren gemotiveerder dan ooit en hebben meer geleerd dan ze ooit met mijn klassieke verticale sturing hadden kunnen bereiken. Leerlingen die duidelijke doelen en kaders krijgen, maar zelf mogen meedenken in de inhoud en vorm van hun eigen leerproces, vanuit horizontale sturing. De docent die met hen meedenkt en meebeweegt. Vanuit die coachende houding ervaar ik dat ik als docent mijn leerlingen ontmoedig een luie of ongemotiveerde houding in te nemen. Dat vind ik eigenlijk wel een mooie ontdekking en aanvulling op de blauwdruk voor mijn eigen lessen. Die werkwijze voelt prettig en dat gevoel gun ik mijn leerlingen en collega’s:  Motivatie en actiebereidheid om te leren in een omgeving waarin niet langer topdown wordt geregeerd maar een omgeving waarin horizontaal de richting wordt gewezen. En methodes dan? Die dienen nu een ander doel.

Transfer


Bijna twintig jaar geleden leerde ik op de lerarenopleiding de betekenis van het woord transfer. Tot die tijd betekende dat woord niet meer dan de overgang van een voetballer naar een andere voetbalclub. Tot mijn (toenmalige) docente vakdidactiek aan de lerarenopleiding mij duidelijk maakte dat transfer noodzakelijk is om tot begrip te komen. De overdracht van kennis op mijn leerlingen was een voorwaarde voor mijn leerlingen om tot goede resultaten te komen. En de verantwoordelijkheid? Die lag bij mij!

En dus ging ik als student – en later als beginnend docent – hard aan het werk om voor mijn leerlingen de inhoud van mijn lessen zo goed mogelijk uit te leggen. Het liefste zoveel mogelijk vanuit de methode, want de uitgevers, die hebben er vast verstand van. Mijn leerlingen zaten in rijtjes, luisterden naar mijn uitleg, maakten mijn opdrachten en keken samen met mij hun huiswerk na. En vooral: maakten voortdurend toetsen. Immers, vertrouwen is goed, maar controle is beter?

En als een leerling niet wilde meewerken? Meestal wist ik mijn leerlingen wel te overtuigen om uit fatsoen stil te zijn en mee te doen. Maar ik liet het ook gerust aankomen op een conflict: porties strafwerk, schreeuwen tegen leerlingen, uitstuurformulieren uitdelen; ik zou ze laten merken wie hier de baas was.

Tot het moment dat ik bij ons op school met de harde vraag werd geconfronteerd wat eigenlijk het bestaansrecht is van een christelijke school in een relatief seculiere omgeving als Arnhem, wanneer onze traditionele achterban niet vanzelfsprekend meer voor onze school koos? Teruglopende leerlingenaantallen dwongen ons om na te denken over wie wij zijn, voor wie wij er zijn, waar we onze leerlingen op voorbereiden en hoe we dat dan doen.

Ik kwam erachter dat ik mijn leerlingen niet aan het voorbereiden was op hun toekomst, maar op mijn eigen geschiedenis: die van de 20e eeuw. Dat zij – net als ik zelf ooit – weinig invloed hadden op hun leerproces. Mijn leerlingen waren er voornamelijk om mij aan een baantje te houden. Niet mijn leerlingen stonden centraal in mijn onderwijs,  maar ikzelf.

Het roer moest om. Niet iedere leerling is hetzelfde, dus waarom zou ik ze dan wel allemaal een gelijke behandeling geven in mijn lessen? Waarom moest ik kiezen wat, hoe en met wie een leerling graag leert? Het leren ben ik als een gezamenlijke verantwoordelijkheid gaan beschouwen, waar ik zelf minstens zoveel van leer. Ik begon mij te verdiepen in activerende didactiek en samenwerkend leren. Mijn leerlingen kregen afwisseling in werkvormen, het vertrouwen om op hun eigen manier zich inhoud eigen te maken. Ik kauwde de stof niet meer droog voor maar liet mijn leerlingen het zelf ontdekken.

Ik was niet langer het podiumdier in mijn eigen voorstelling, maar de organisator die  zijn leerlingen het podium gunde. En ik begon dat te merken. Ik zag mijn leerlingen groeien in zelfbewustzijn, verantwoordelijkheidsbesef en vermogen om te reflecteren! En mijn band met de leerling werd enorm versterkt.

Nu een aantal jaren later kan ik enorm genieten van mijn lessen waarin leerlingen heel bewust kiezen om mijn uitleg wel of niet te willen volgen. Leerlingen die kiezen voor een computer i.p.v. een boek. Leerlingen die liever in tweetallen ergens anders in het gebouw werken of bij mij aan tafel in gesprek willen. Ik stimuleer leerlingen daarover na te denken, ik geef hen ruimte vanuit vertrouwen en merk dat zich dat uitbetaalt. De vorm en inhoud van mijn lessen veranderen voortdurend sinds ik mijzelf heb voorgenomen dat ik ook elke dag naar school kom om te leren.

Gaandeweg kom ik steeds meer achter de ware betekenis van het woord transfer: een verbinding tussen leerling, inhoud en docent die groter wordt naarmate ik meer een stapje terugdoe om leerlingen de ruimte te geven. De manier waarop ik dat doe, wil ik elke dag opnieuw aanpassen aan hun belevingswereld en de eisen van de toekomstige tijd.

Samen voortdurend reflecteren op waar we mee bezig zijn. Ik was het niet zo gewend, maar eenmaal hieraan begonnen kan ik ronduit zeggen dat ik iedere docent een omgeving wens waarin je je voortdurend aan elkaar spiegelt. Voor de noodzakelijke dagelijkse transfer om fris te blijven voor jezelf en je leerlingen.

Delen is het nieuwe hebben

Vanaf nu wil ik hier mijn onderwijsverhalen uit de klas delen. Bijzondere ervaringen, ongezouten meningen en interessante vraagstukken. Vanuit de praktijk zoeken naar hoe het zit. Samen met mijn leerlingen. Deel en lees je mee?