Categoriearchief: Blogs

Visie op leren als kader voor de lessen

Op de school waar ik werk hebben wij sinds kort een visie op leren voor leerling en medewerker geformuleerd. Als teamleider ben ik betrokken geweest bij de totstandkoming hiervan. Gaandeweg ben ik er steeds meer van overtuigd geraakt dat je als school iets moet vinden van de manier waarop je wilt dat je leerlingen en collega’s leren. Juist omdat je met mensen – jong en oud – werkt die – als het goed is – elke dag naar school komen om zichzelf te ontwikkelen. Dat hoeven geen lange verhalen te zijn. Wij hebben het als volgt verwoord:

Onze school is erop gericht dat iedere leerling en medewerker met plezier naar school komt en zich veilig en gewaardeerd voelt. Het welzijn van iedere leerling en medewerker is de basis voor goed onderwijs. We zien elkaar als kind van God. Het is ons verlangen een voorbeeld te zijn voor elkaar en voor onze leerlingen. We gaan zo met de ander om, zoals wij wensen dat een ander met ons omgaat. Wij doen hierbij recht aan de eigenheid van de leerling in de lesgroep en de medewerker in zijn team.

Met name het rechtdoen aan eigenheid van iedere leerling en medewerker is wat mij betreft van belang. Ik zeg tegen nieuwe ouders als ik hen rondleid in onze school: “Een groep leerlingen is geen kudde schapen die je op dezelfde manier de zelfde richting instuurt in hetzelfde tempo.” Wanneer je gelooft dat ieder mens uniek is, dan omarm je ook de gedachte dat niet iedereen op dezelfde manier zich ontwikkelt, kennis en vaardigheden eigen maakt en werkt.

Bovenstaande bewoordingen zijn wat mij betreft mooie uitgangspunten als kaders voor het vak dat ik geef: Nederlands. In dit artikel wil ik graag iets laten zien van hoe ik bovenstaand concreet vorm geef tot nu toe. Ik ben nu een poosje bezig mij als docent deze missie en visie zo eigen te maken zodat het terug te zien is in mijn lessen. Nu het schooljaar drie maand bezig is, lijkt dit mij een mooi moment om te reflecteren op de eerste ervaringen die ik heb. Ook om van anderen te horen wat zij meemaken.

Zo ben ik vorig jaar gestart met het lesgeven zonder boek. Ik wil namelijk zelf nadenken over de vraag welke doelen ik met mijn vak nastreef en op welke manier leerlingen in de optimale omstandigheden zijn die doelen te bereiken. Een boek kan niet denken en mijn ervaring met uitgevers is dat die nog te veel old school denken. Op basis van de kerndoelen voor het vak Nederlands, van het SLO, heb ik geprobeerd voor de klassen die ik heb een goed inhoudelijk programma te bedenken. Dit jaar heb ik ook de stap gemaakt door in de derde klas 3 havo/vwo hebben mijn leerlingen ook invloed op de inhoud van de lessen te geven. Zo halen zij geen cijfers meer per onderdeel maar laat ik hen werken aan tien vaardigheden, gebaseerd op de kerndoelen voor het vak Nederlands van het SLO:

  1. Uitdrukkingsvaardigheid
  2. Taalverzorging (grammatica en spelling)
  3. Woordenschat
  4. Leesvaardigheid
  5. Informatievaardigheid
  6. Samenwerken
  7. Presenteren
  8. Literaire ontwikkeling
  9. Planmatig werken
  10. Reflecteren

Leerlingen halen voor deze tien onderdelen gedurende het schooljaar verschillende cijfers. Soms omdat ik wil dat iedereen aan één onderdeel werkt. Zo heeft de hele klas een leestoets gehad als instaptoets met een beoordeling. Die cijfers zijn ingevoerd bij onderdeel 4. Maar leerlingen mogen de komende tijd dan gebruiken om te oefenen voor onderdeel 4 om hun cijfer daarmee op te halen.

Een ander onderdeel is de jaarlijkse CITO-meting die onze school hanteert om het niveau van beheersing van het Nederlands te meten. Leerlingen in 2 havo/vwo krijgen op leesvaardigheid, taalverzorging, woordenschat te zien hoe zij scoren binnen de bandbreedte van hun opleidingsniveau. De afgelopen weken mochten zij een plan schrijven bij mij in de les om een van die gebieden eruit te halen om extra aan te werken. Leerlingen zoeken in sommige gevallen zelf hun oefenmateriaal bij elkaar, bepalen zelf hoe ze dat oefenen afsluiten en op welke van de tien onderdelen ze dit willen laten meetellen (na onderbouwing uiteraard). Maar ik bied het materiaal ook aan via www.cloudschool.org/bertmollema mede met inzet van VO content.

In het voorjaar volgt er een nieuwe CITO-meting waarvan de resultaten meetellen bij de genoemde onderdelen. Zo zijn leerlingen vooraf hun eigen niveau aan het inschatten, werken ze doelgericht aan verbetering en is er een eindmeting om te zien wat die inspanningen hebben opgeleverd. Het is gaaf om te zien hoe betrokken leerlingen raken op hun eigen leerproces wanneer je ze de ruimte geeft.

Ondertussen zijn leerlingen bezig met BLOGs op te stellen om hun leesboekopdrachten en schrijfopdrachten op te publiceren. Zij bepalen (mede) zelf welke van die onderdelen ze laten meetellen.

Ik moet zeggen dat het best een omslag voor mij als docent is omdat het een hele andere manier van werken is. Soms voelt het alsof ik voorheen op 1 bord tegelijk schaakte en nu simultaan. Toch overheerst tevredenheid omdat ik zie en merk dat leerlingen gemotiveerder in mijn lessen bezig zijn. Het leerproces wordt steeds meer iets van hen. Ze weten nu waar ze het voor doen. Een doel behalen, leren van een proces en reflectie daarop is belangrijker dan cijfers scoren. Komend jaar hoop ik de cijfers af te schaffen voor iets formatiefs.

Tot slot, wat gaaf is om te ontdekken dat hoe meer je recht doet aan eigenheid van het individu, des te meer je gemotiveerd raakt die leerling om er SAMEN iets moois van te maken. Ik kan het iedereen van harte aanbevelen en wens het ook iedere leerling en docent toe.

Methodevrij Nederlands geven, het kan!

Afgelopen schoolseizoen heb ik in mijn werk als docent Nederlands de stap gezet om – voor het eerst – af te stappen van het gebruik van een papieren methode. Was in het verleden de inhoudsopgave van Nieuw Nederlands grotendeels leidend voor de inhoud van het schooljaar, nu moest ik zelf gaan nadenken over de vraag wat ik mijn leerlingen wil meegeven in de periode dat ze Nederlands van mij hebben.

Niet dat er nu van alles mis is in wat er in een methode als Nieuw Nederlands wordt aangeboden. Hoewel ik best nog wat verbeterpunten zie. Bijvoorbeeld als het gaat om hoe de inhoud aansluit op wat ik mijn leerlingen wil meegeven aan de kennis en vaardigheden die zij in de toekomst nodig hebben.

En niet minder voor de vorm waarin die inhoud is gegoten. Leerlingen ervaren de inzet van een boek in mijn lessen, zoals bij zoveel vakken, als weinig uitdagend. Dit raakte aan hun motivatie. Natuurlijk kon ik met de inzet van af en toe een leukere opdracht en het onderhouden van een goede band, leerlingen best zover reiken dat ze uiteindelijk gingen doen wat ik graag wilde. Maar dat er echt sprake was van een intrinsieke motivatie, waag ik te betwijfelen. Een ontevreden gevoel maakte zich van mij meester, waardoor ik mijzelf een aantal kritische vragen voorhield:

1. Wil ik echt dat een ander (lees: uitgever) voor mij bepaalt welke inhoud ik aanbied en ik welke vorm ik dat doe?

2. Wil ik vervolgens aan mijn leerlingen echt hetzelfde doen als ik die uitgever dat bij mij laat doen?

Mijn antwoord is nee. En dus heb ik afgelopen jaar het roer omgegooid. Zo heb ik leerlingen zelf verwerkingsopdrachten laten kiezen bij literatuur die ze thuis en in de les konden lezen. Ik had voorbeelden van verschillende opdrachten via internet opgezocht, maar leerlingen mochten ook zelf hun eigen verwerkingsopdracht kiezen. Zolang ze het doel maar bereikten dat ze zichtbaar konden maken wat een boek met hen had gedaan (wat ze hadden geleerd en/of hoe ze het hadden beleefd). Ik was verrast met waar leerlingen mee kwamen: een leerling maakte een kijkdoos, een andere leerling schreef zelf een vervolg op een bestaand boek. Sommige leerlingen maakten nieuwe boekomslagen, de meest creatieve vormen dienden zich aan. Ik merkte dat het plezier bij de leerlingen toenam. Navragend hoe dat kwam, hoorde ik meestal terug dat leerlingen het prettig vinden als er wat te kiezen valt.

Op basis van wat ik afgelopen jaar heb ervaren, heb ik een aantal uitgangspunten geformuleerd als het gaat om mijn eigen lessen. Die wil ik graag delen met daarbij concreet omschreven wat dat aan gedrag van mij als docent vraagt:

1. Mijn leerlingen hebben invloed op wat, hoe en met wie zij leren. Dat doe ik door leerlingen vormen aan te bieden die aansluiten bij de bekende leervoorkeuren van Manon Ruijters, zie ook dit artikel. De opdrachten die ik ontwerp en van het internet haal, doen recht aan de verschillende manieren van leren van leerlingen. Nu doe ik dat via Cloudschool, een open
leeromgeving.

2. Ik stimuleer in mijn lessen het leren van en met elkaar. De standaardopstelling in de klas is groepjes en ik beperk mijn centrale klassikale instructie tot maximaal 10 minuten per les.

3. Het onderwijs dat ik bied is betekenisvol. Ik probeer zoveel mogelijk een brug te slaan tussen wat ik mijn leerlingen wil meegeven (doelen enerzijds) en hoe leerlingen dat bereiken (invulling van de opdrachten). Dat doe ik door veelvuldig gebruik te maken van ICT en social media in de lessen.

4. Niet het resultaat, maar het leerproces, staat in mijn lessen centraal. Ik stimuleer daarom het onderling geven van feedback, bv. door het innemen van een coachende rol, leerlingen d.m.v. vragenkaartjes feedback te (leren) geven en ontvangen.

Was alles dan afgelopen jaar koek en ei in het werken zonder methode? Zeker niet. Zo merkte ik dat het een flinke uitdaging was om de opdrachten die ik aan mijn leerlingen gaf, samen te stellen – laat staan helemaal uit te werken. Hierdoor konden leerlingen niet vanaf elke plaats en elk moment hun opdrachten terugzien.

Ook het becijferen van meer open opdrachten is niet alleen een tijdrovende, maar ook een ingewikkelde opgave. Het is nog een kunst om te ontdekken hoe ik leerlingen meer integraal onderdeel laat uitmaken van de beoordeling van werk op zo’n manier dat ook dit bijdraagt aan het leren van en met elkaar.

Tot slot, een papieren methode is tastbaar. Doelen en opdrachten zijn bladzijde voor bladzijde in te zien. Met de veelvuldige inzet van ICT afgelopen jaar was het zoeken naar een werkwijze waarbij voor leerlingen – maar ook voor ouders – op een goede manier zichtbaar werd aan welke onderwijsdoelen mijn leerlingen werkten. Dat maakte het niet minder betekenisvol maar transparantie van het geheel zorgt natuurlijk wel voor betere feedback en doorontwikkeling van deze manier van werken. Met de ELO van It’s learning kwam dat niet helemaal uit de voeten, omdat ik het niet een ideaal systeem vind om onderwijsinhoud mee te arrangeren, vanwege het ontbreken van snelheid in het gebruik. Ook was voor ouders en externen de inhoud niet zichtbaar. In Cloudschool hoop ik daar een mooie oplossing voor te hebben gevonden.

Voor komend jaar heb ik daar mijn onderwijskundige programma en doelen op een transparante en overzichtelijke manier zichtbaar gemaakt voor leerlingen, ouders en andere belangstellenden. Door in dezelfde omgeving mijn opdrachten te publiceren en te voorzien van volledige beschrijving, hoop ik op een verdere doorontwikkeling van het idee dat ik als docent niet alleen de “boodschapper” ben van de inhoud van het onderwijs, maar zelf ook zoveel mogelijk invloed uitoefen op de inhoud en vorm van wat ik mijn leerlingen wil meegeven aan kennis, vaardigheden en vorming.

Natuurlijk realiseer ik mij dat bovenstaand nogal vanuit mijn eigen perspectief is neergezet en dat er veel ouders en leerlingen kunnen zijn die het verhaal kunnen completeren d.m.v. aanvulling of correcties. Voor mijn leerlingen geldt dat ik in de startlessen zal vragen naar hoe zij het afgelopen jaar hebben ervaren, wat ze daarin wel en niet willen meenemen als het gaat om de manier waarop ze hun onderwijs van mij hebben ervaren. Ouders en anderen nodig ik uit te reageren om hun eigen ervaringen te delen. Wil je me hiervoor mailen? Of laat een reactie achter op mijn website www.bertmollema.nl

Het is (nu) nog vakantie, maar ik zie uit naar een nieuw jaar vol betekenis en diepgang!

Deel het Licht uit!

0c0a0894Het is weer voorjaar en dat is de tijd dat voor ouders de schoolkeuze is gemaakt. Zo ook voor onze school.  Het bezoek aan een Open Dag, volgen van minilessen of een dag meelopen met een bestaande klas. Al die contactmomenten dragen bij in de zoektocht naar een voortgezet onderwijsschool. In de afgelopen periode heb ik veel gesprekken gevoerd met ouders die om verschillende redenen voor onze school kiezen.

Wij hebben sinds een aantal jaren de goede gewoonte om met ieder ouderpaar dat voor het eerst een kind naar Guido stuurt, een motivatiegesprek te voeren. In zo’n gesprek vragen we ouders naar wat voor hen de doorslag heeft gegeven hun kind aan te melden voor onze school. En wat zij daarin van ons docenten verwachten. Ouders reageren hier over het algemeen zo op:

-In de contactmomenten hebben wij ervaren hoe positief jullie naar kinderen kijken en we merkten dat er op een goede manier aandacht voor ons was.
-Jullie eigentijdse manier van werken spreekt ons aan, dat viel ons op in de lessen en tijdens de Open Dag.
-Wij hebben op basis van de gesprekken veel vertrouwen gekregen in de ondersteuning en begeleiding die jullie bieden.

Het zijn antwoorden die ik zo regelmatig hoor terugkomen dat er een patroon in herken. Het valt mij op dat ouders die ik erover spreek zich in de schoolkeuze voor hun kind zich voornamelijk laten leiden door hun “onderbuikgevoel”. Hoe voelt het voor ons kind (en voor ons) om hier te zijn? Welke ervaring doen we op? Dat is niet even te vangen in een actie, een activiteit, manier van presenteren.
Wat er voor mij in doorklinkt is dat het allerbelangrijkste is dat een kind met plezier naar school gaat. En geef ze eens ongelijk: dat geldt voor ons volwassenen toch ook t.a.v. ons werk? Dat plezier wordt grotendeels bepaald door het gevoel gezien te worden, onderdeel uit te maken van een gemeenschap waarin je mag zijn wie je bent. Dat zijn de ideale omstandigheden om te werken aan je ontwikkeling.

Soms spreek ik met niet christelijke ouders die hun kind graag willen aanmelden op onze school. Als ik hen vraag wat hun beeld is van de identiteit van onze school, is een veelgehoord antwoord dat dit zichtbaar wordt in de dagopeningen, godsdienstlessen en viering van christelijke feestdagen.
Natuurlijk is dat waar, maar het is voor mij niet de kern waaraan je een christelijke school herkent.

Die kern gaat wat mij betreft over de verbinding van identiteit met het onderwijs. Wij geloven dat God de wereld heeft gemaakt en ook de mensen die daarop leven. Die zijn allemaal uniek, in verschillende soorten, kleuren en maten. Een collega zei ooit tegen mij: kijk naar ieder kind zo alsof het hoogbegaafd is maar dan op zijn eigen manier. Dat levert een positieve kijk op en heeft onherroepelijk gevolgen voor hoe je een kind benadert. Je kijkt naar wat er wel kan en focust je niet op waar een kind niet goed in is. Het glas is altijd halfvol. Een groep leerlingen is daarom geen kudde schapen die je in hetzelfde tempo een vooraf bepaalde richting op wijst, met een paar blaffende herdershonden in de buurt om de boel bij elkaar te houden. Iedere leerling is uniek, heeft een eigen leven naast school, neemt zichzelf mee – met zijn interesses, vaardigheden en karakter. Als docent sta je dan voor de uitdaging het leren zo te organiseren dat iedere leerling daarin tot bloei komt. Het is onmogelijk om met ieder verschil rekening te houden, maar door zo naar onderwijs te kijken, doe je wel recht aan wat een kind nodig heeft. En dan kom ik al snel tot de conclusie dat SAMENwerken betekent dat je leerlingen betrekt bij hun leerproces door hen invloed te geven, met hen te reflecteren, hen te stimuleren samen te werken met andere leerlingen. Als docent sta ik dan niet centraal, maar treed ik wat naar de achtergrond. Door leerlingen ruimte te geven, bied je vertrouwen. En de praktijk die ik zie wijst dan uit dat ik merk dat leerlingen vaak meer aan kunnen dan ik van tevoren had bedacht.
ouders
Volgens mij is dat de basis van goed onderwijs: waarin de christelijke identiteit verweven is met de visie op het leren en op het kind. Na de contactmomenten met ouders word ik me weer bewust van het feit dat zij het meest waardevolle bezit dat je in het leven kunt krijgen, iedere dag aan onze aandacht en zorg toevertrouwen. Dat schept voor ons een verantwoordelijkheid zo naar een leerling te kijken alsof het je eigen kind is en jezelf de vraag te stellen: stel je voor dat deze leerling mijn kind is, hoe zou ik dan willen dat die docent hem of haar benadert?

In de bijgevoegde foto weet een ouder treffend te omschrijven wat ze ons wenst in het nieuwe schooljaar in ons contact met nieuwe leerlingen: deel het Licht uit! Ik had het zelf niet mooier kunnen zeggen!

Mijn complimenten!

15350449_1343873875645544_2370354975397487325_n

Ken je het tv-programma “Dreamschool”? Daarin proberen bekende Nederlanders schoolverlaters opnieuw te inspireren om zichzelf te ontwikkelen. De jongeren die centraal staan zijn tussen de 16 en 23 jaar en stuk voor stuk vastgelopen in het reguliere schoolsysteem. Hoe verschillend ze ook zijn, ik ontdek tijdens het kijken dat ze één ding gemeen hebben: een behoefte aan waardering en oprechte aandacht op het juiste moment.

 

Het is de reden waarom relaties stuklopen, werknemers ontslag nemen en vrijwilligers afhaken: Gebrek aan waardering. Het schijnt in onze volksaard te zitten; wij Nederlanders zijn goed in het aanwijzen van wat er fout is, maar niet zo bedreven in zeggen wat er wèl goed is.

William James, een Amerikaanse psycholoog, heeft gezegd: De diepst menselijke behoefte is de behoefte om gewaardeerd te worden. Waardering en oprechte aandacht, twee ‘zaken’ die niet te koop zijn, maar de mens wel het diepst raken.

In de contactmomenten met ouders die een school zoeken voor hun kind heb ik het gemerkt: Voor hen is weinig zo belangrijk als dat hun kind in beeld is en gewaardeerd wordt. Dat wij – docenten – de kwaliteiten zien van hun kind en daar aandacht aan geven. Van persoonlijke aandacht en erkenning bloeien we allemaal op. Juist een kind heeft die veilige kaders keihard nodig. Dat is niet zo maar een ‘extraatje’ dat een school kan bieden, het is de basis voor een goede schoolgang. Op een school waar professionals en ouders schouder aan schouder staan, samen zien dat ieder kind hoogbegaafd is op zijn eigen manier, daar bloeien de leerlingen op.

Mijn opleidingsdocent Ivo Mijland (Orthoconsult) zei in dit kader iets wat mij niet loslaat: “Als je elkaar echt wilt leren kennen, geef elkaar dan strooks (een soort van complimenten). Er is elke dag zoveel te zeggen over dingen die oké zijn. Doe dat dan ook!”

Op 1 maart is er de Nationale Complimentendag; bedoeld als een geheugensteuntje om eens wat vaker stil te staan bij oprechte aandacht en waardering. Natuurlijk verandert niet alles ten positieve direct al na één dag ‘extra aandacht’, maar het kan geen kwaad om eens een dag wat langer bewust stil te staan bij de impact van positieve woorden uitspreken naar een ander. Zeker in het onderwijs, waarin je “de samenleving in het klein vormt”. Ik heb besloten de norm te “leven” door met mijzelf af te spreken dat ik iedere dag één iemand in mijn werkomgeving een compliment maak. Een leerling met nieuwe schoenen, een collega met een waardevolle bijdrage, het maakt mij niet uit wat het is! Het helpt me om zo naar de ander te kijken dat hij of zij hoogbegaafd is; ieder op zijn eigen manier. Ik leer hierdoor beter te zien dat mijn omgeving uit hoogbegaafden ontstaat. Misschien ben ik het zelf ook wel…

PS Miranda Baakman stuurde me een tof filmpje nav deze blog over hoe de do’s en don’ts van complimenten: https://youtu.be/lSDO-kaIVzo

Bert Mollema

Afschaffing artikel 23 bevordert segregatie

Groenlinks wil een einde maken aan de vrijheid van onderwijs door artikel 23 van de Grondwet, dat de vrijheid van onderwijs regelt, af te schaffen. Hiervoor hebben de indieners van het wijzigingsvoorstel de volgende argumenten:

  1. Afschaffing leidt tot een striktere scheiding van kerk en staat.
  2. De financiering van ‘religieus’ onderwijs is niet meer van deze tijd en in strijd met de scheiding van kerk en staat.
  3. Het huidige systeem draagt bij aan segregatie.

Dit lijken redelijke argumenten om de discussie rondom het bijzonder onderwijs aan de orde te stellen. Maar wie wat dieper kijkt naar de inhoud ervan, kan daar op zijn minst een aantal flinke vraagtekens bij zetten. Zo zaait het eerste argument op zijn minst twijfel over de striktheid waarmee de scheiding van kerk en staat nu geborgd is. Ik zie in het voorstel geen aanwijzingen die aantonen dat kerk en staat niet voldoende gescheiden zijn. Ik vraag me dan ook af waar de twijfel daaraan bij de initiatiefnemers vandaan komt. Door te stellen dat religieus onderwijs niet meer van deze tijd is, zeg je eigenlijk: het is in 2016 ongeloofwaardig om aan zingeving te doen door een relatie te zoeken in het bestaan van een God en de invloed hiervan op ons dagelijks leven. Oftewel: laten we niet als samenleving onderwijs financieren dat aan zingeving doet die niet past bij onze opvatting hiervan. Daarmee schaf je het bijzonder onderwijs niet af, maar vervang je haar voor onderwijs vanuit een atheïstisch perspectief. Groenlinks noemt dat: ‘openbaar’ onderwijs, maar eigenlijk is het ‘uniform’ onderwijs: laat alle scholen vanuit gelijke visie aankijken tegen onderwijs. Dat is net zo onzinnig als christenen die zouden voorstellen van elke ‘openbare’ school een christelijke te maken, omdat zij ‘toevallig’ wel geloven in zingeving vanuit Bijbels oogpunt. Stelt u zich eens voor dat een partij als de SGP dat zou doen: het land zou te klein zijn… Laat Jesse Klaver mij wetenschappelijk aantonen dat het bestaan van een God voor 100% uit te sluiten valt en hij is wat mij betreft de eerste die de bijl aan de wortel van het christelijk onderwijs mag zetten. In dat opzicht is ook het atheïsme ‘maar’ een overtuiging.

Het laatste argument – angst voor segregatie – is goed te begrijpen gezien de huidige spanningen in onze samenleving . In tijden van onzekerheid zal niemand pleiten voor afzondering van een bevolkingsgroep in onze maatschappij. Alleen werkt zo’n wetsvoorstel averechts. Door als overheid uitsluitend ‘openbaar’ onderwijs te faciliteren, stimuleer je geen vrij denken, maar sluit je zingeving die niet gestoeld is op seculiere idealen, op voorhand uit. Maar daarmee verdwijnt de behoefte om die zingeving vorm te geven niet. Wil je verbindingen in een veelkleurige samenleving, zorg dan dat je als overheid verbindend optreedt in de wijze waarop je verschillende soorten scholen naast elkaar laat bestaan. Ik vraag me af welk beeld de indieners van dit voorstel hebben van het bijzonder onderwijs.

Op de school waar ik zelf werk (christelijk voortgezet onderwijs) zien wij iedere leerling als uniek (gemaakt door God). Wij benaderen onze leerlingen respectvol en behandelen wij hen niet allemaal hetzelfde, juist omdat ze verschillend zijn. We doen dat op een positieve manier; we behandelen hen zoals we zelf behandeld willen worden. Dat is voor mij een kernwaarde van christelijk onderwijs. En ja, er wordt in de lessen soms vanuit een ander perspectief gekeken naar deze wereld dan Groenlinks dat doet. Maar dat betekent toch niet dat niet ook christelijke scholen zich voor de opdracht gesteld zien om op een positieve manier bij te dragen aan de samenleving van de eenentwintigste eeuw? Ik zie geen enkel redelijk argument om daar vanaf te willen, tenzij uit antigodsdienstig motief. Ik heb daar geen waardeoordeel over, maar ben wel oprecht benieuwd wat deze politieke partij hierin drijft. Omdat ik er vanuit ga dat een organisatie als Groenlinks vast meer van haar leden zal vragen dan ‘dat zij de grondslag van de organisatie respecteren.’ Logischerwijs om eenheid in de partij te bewaren en haar idealen te kunnen uitdragen. Zou dat recht op het bewaken van de grondslag en bewaren de eenheid niet voldoende reden moeten zijn om artikel  23 juist met rust te laten? Juist dat lijkt mij nodig in deze tijd.

Investeer in de start van je schooljaar

In een week of zes kan veel gebeuren. Leerlingen rusten uit, hervinden energie, krijgen nieuwe vrienden op campings, vakantierelaties, (familieleden) worden ziek, er gaan huisdieren dood, slaapkamers worden opgeknapt, leerlingen – kortom – maken van alles mee en dan is het weer september.  

Voor leraren geldt min of meer hetzelfde. In de eerste vakantieweek wordt het jaar nog afgerond, losse eindjes afgehecht en er wordt teruggeblikt. De collega-appgroep pruttelt nog even door. ander deelt alvast fanatiek zijn ideeën voor het volgende jaar en reflecteert er nog lustig oplos. Een enkeling verdraagt dat niet en stapt er resoluut uit. Enfin, langzaam maar zeker gaat ook bij de leraren de vaart eruit. Totdat in de laatste vakantieweek de e-mailstroom weer op gang komt, lesplannen worden gedeeld, blauwe vinkjes weer verschijnen en alles weer zijn dagdagelijkse gang herneemt.

Al deze mensen, vol verhalen en ervaringen, komen in de eerste lesweek weer bij elkaar. Met keurige lege schriften, geordende onedrives, voornemens het hele jaar geordend te blijven werken. De leraar gaat van begin af aan duidelijk zijn, (ruimte kun je de rest van het jaar altijd nog weggeven). Leerlingen gaan formen, normen, stormen en performen. Je begrijpt, de eerste schoolweek is meteen een cruciale.  

Op Guido werken wij daarom in de eerste weken van het jaar aan een aangepast programma, waarbij veel ruimte is voor leraar en leerling om een goede start te maken. De eerste vier weken bij ons op school heten dan ook De gouden weken. In deze periode willen we ruimte maken om het contact tussen leerlingen, leraar en ouders de aandacht te geven die dat verdient met het oog op een goed schooljaar.  

Juist omdat de start van een schooljaar kansen biedt om ruimte te maken voor zaken waar je anders weinig ruimte voor ervaart, bijvoorbeeld onderlinge ontmoeting. Je wordt nog niet in beslag genomen door de drukte van de dag die het werken in het onderwijs met zich mee kan brengen. Je hebt de tijd om echt contact te maken. Een goede investering waar je gedurende het schooljaar de vruchten van plukt. Wat is er nou mooier dan dat je die eerste dagen elkaar enthousiasmeert, grappen maakt en spart over je samenwerking? Zonder dat je gelijk allerlei dingen moet. Je hebt dan echt oog voor de ander en de ander voor jou, met het oog op het ontwikkelen van een veilig leerklimaat voor leraren en leerlingen.

Zo zijn we het nieuwe jaar vorige week maandag begonnen met een nieuwjaarsontbijt. Samen ontbijten met de collega’s, vragen naar elkaars vakantie en delen hoe het met je gaat.

Vervolgens zijn we in onze eigen teams uiteengegaan om kennis te maken met de (nieuwe) collega’s, d.m.v. het spel Twee waarheden, één leugen. Ieder teamlid vertelt iets over zijn vakantie, zijn werk en iets persoonlijks. De kunst is om dan te achterhalen in welk van de drie verhalen een leugen verstopt zit. Succes gegarandeerd! Ook hebben we het gehad over de verwachtingen die je over en weer hebt. Van je collega’s en je leidinggevende, maar ook wat een ander van jou mag verwachten. De opbrengsten hebben we verwerkt in teammanifesten, waarin we hebben vastgelegd hoe wij dit jaar met elkaar willen samenwerken.

De tweede dag hebben we met alle ouders en personeelsleden elkaar een gelukkig nieuw (school)jaar gewenst tijdens een nieuwjaarsreceptie, onder het genot van een glas champagne en een oliebol. Voor ouders een kans om de leraren en andere medewerkers van de school te ontmoeten. Als personeelsleden een mooie gelegenheid om contact te maken met ouders. Informeel en laagdrempelig. Het resultaat? Opgetogen gezichten van ouders en medewerkers die een onderlinge band ervaren. Dat komt het onderwijs aan en de begeleiding van hun kind ten goede.

De dag erna is het de beurt aan de leerlingen: Verspreid over twee dagen komen ze de school weer binnen. Leerlingen hebben de eerste dagen alleen les van hun mentor, waarbij er wordt geïnvesteerd in positieve groepsvorming d.m.v. allerhande ludieke (buitenschoolse) activiteiten. 

Het was een mooie relaxte eerste schoolweek. We zijn begonnen aan het leggen van een stevig fundament voor het school jaar. Over anderhalve week hebben we de startgesprekken met mentoren, ouders, en leerlingen over de persoonlijke leerdoelen van de leerlingen komend jaar en de rol die we als leraren en ouders kunnen spelen bij het bereiken van deze doelen.  

Wij hebben de afgelopen jaren gemerkt dat deze aanpak zorgt voor een enorm positieve vibe in onze school. We raken doordrongen van het idee dat we het SAMEN doen. Als leraar vol goede voornemens, als ouders vol verwachtingen, als leerling, gespannen voor een nieuw schooljaar, hoofd en hart nog vol van zes weken vakantiebelevenissen.  

De brugklas? Die start bij ons in juni!

 
Laatst hebben wij op school weer de waarde van ouderbetrokkenheid 3.0 ervaren. Het leek me leuk om daar een blog aan te wijden. Voor professionals in het onderwijs om ideeën uit te halen. Maar ook bedoeld als uitnodiging om te reageren wat jouw ervaring is op dit gebied. Vorige week kwamen alle aankomende brugklasleerlingen samen met hun ouder(s) op onze uitnodiging een middag op school. Zij bezochten onze school niet voor het eerst, maar waren nu wel voor het eerst als leerling /ouder officieel op de school van hun keuze. Voor de meeste leerlingen is dat een bijzondere ervaring die hen even stilzet bij een nieuwe stap in het leven. Je ziet het aan al die gezichten die binnenkomen: vol van verwachting en blijdschap, spanning en zenuwen. Ze hebben vast dezelfde vragen die ik ooit als tiener had: hoe is het om de stap te maken naar een middelbare school? En heb ik een goede keuze gemaakt om voor de Guido te kiezen?

Ik weet dat er nog altijd scholen zijn die hun nieuwe leerlingen pas na de zomer verwelkomen. En dat doen door te starten met wat er allemaal van hen wordt verwacht. Je legt daarmee druk op het kind en legt de focus op de prestaties. Het resultaat staat centraal. Met de kennis en ervaring die wij op de Guido nu hebben vinden wij dat onbegrijpelijk. Wij vinden het van het grootste belang dat een leerling vanaf het begin in een veilige setting komt. De focus ligt niet op wat je doet, maar op wie je bent. Wij schenken aandacht aan het gegeven dat je er mag zijn. En dat vieren we samen op zo’n kennismakingsmoment.
Wij vragen ook aan alle ouders om mee te komen. Zij spelen immers een sleutelrol in een goede samenwerking en uiteindelijk een plezierige en succesvolle schoolperiode. We gaan dan apart met hen hierover in gesprek. Voor de leerlingen is het doel om elkaar te leren kennen. Verder laten we zien hoe je je goed kunt voorbereiden op je start na de zomer. Onze mentoren weten hier op een creatieve en betrokken manier zichtbaar vorm aan te geven. Toen ik aan het einde van de middag alle gezichten met een vrolijke glimlach, zichtbaar opgelucht, de school weer zag verlaten, dacht ik: missie geslaagd!

 

Terug naar de start van de middag: terwijl de leerlingen druk aan het kennismaken waren met elkaar en hun mentor, hadden mijn collega Henk ter Haar en ik de kans alle ouders te ontmoeten. We schonken aandacht aan ouderbetrokkenheid 3.0. Want wij willen een school zijn waar ouders niet langs de zijlijn staan, maar actief bij het onderwijs aan en de begeleiding van hun kind worden betrokken.

Ons doel was om samen informatie te delen zodat hun kind / onze leerling zo goed mogelijk op onze school kan starten. We organiseerden het onderlinge gesprek over verwachtingen op onze school, over hoe zij hun kind zien, wat hun kind nodig heeft, en wat zij zelf kunnen bijdragen aan een succesvolle start op de Guido. We sloten af met de opdracht door iedere ouder een beeld te laten ontwikkelen van hun kind in de vorm van een poppetje. Al die poppetjes hangen nu bij ons in de personeelskamer zodat aankomend brugklasdocenten onze leerlingen alvast kunnen leren kennen, nog voor zij bij ons op school zijn.


Verder hebben we een huidige ouder uitgenodigd om iets te vertellen over haar ervaringen als ouder op school als het gaat om goede samenwerking en hoe dat te bereiken. Leuk om te zien dat er een open gesprek ontstaat waarbij ouders onderling alles aan elkaar durven te vragen over onze school.

De afsluiting bestond uit een foto van iedere klas leerlingen / samen met een foto van alle ouders uit die klas. Een waardevol beeld om zelf zichtbaar in de school te hangen en ook om aan ouders uit te delen.

Niet alleen de samenwerking tussen school en de ouders is het waard om aandacht te geven. Ook wanneer ouders elkaar leren kennen schept dat een band. En dus een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Ik ben mij er van bewust dat vast niet al die ouders (en leerlingen) dit verhaal lezen, maar dat weerhoudt mij er niet van om hen enorm te bedanken voor de positieve ervaring die Henk en ik hebben opgedaan in het contact met deze mooie nieuwe mensen die op ons pad zijn gekomen. Ik zie uit naar het nieuwe schooljaar waarin we elkaar meer mogen leren kennen en samenwerken.

We hebben de dankbare taak dat al die kinderen (onze leerlingen) met plezier naar de Guido komen en nieuwe dingen mogen leren die passen bij ontwikkeling. Ik geniet elke dag van de ontwikkeling die ik van mijn leerlingen meemaak en kan daar enorm van leren. Hoe mooi is het dan te weten dat er weer een nieuwe generatie leerlingen aan komt. Dat genieten heeft ook alles te maken met het feit dat we op de Guido investeren in de relaties voordat we met elkaar samenwerken. Ik zie dan ook uit naar het volgende contactmoment met die ouders: de nieuwjaarsreceptie in augustus. Ouders hebben dan de kans om op een interactieve manier kennis te maken met de docenten van hun kind. We gaan er straks een mooie start van maken na de zomer, nog voordat al die leerlingen op school komen. De oliebollen zijn al besteld en staan klaar op dinsdag 6 september vanaf 19.30 uur!

 

Wilt u of wil jij meer lezen over ouderbetrokkenheid in het onderwijs? Ik kan het boek van Peter de Vries (CPS) over ouderbetrokkenheid van harte bij je aanbevelen, gratis te downloaden op de website van het CPS.

 

 

 

Leerlingen verleiden om te gaan lezen

Als docent Nederlands ervaar ik een aanwezig verschil in interesse en niveau onder leerlingen v.w.b. (jeugd)literatuur. Nu zie ik het niet als missie om aan mijn leerlingen de breedte van de vaderlandse literaire (jeugd)literatuurgeschiedenis over te dragen. Ik wil geen hobbyist zijn die zijn voorliefde voor lezen aanstekelijk opdringt aan een groep pubers. Met die voorliefde – en het daaruit voortkomende enthousiasme – is natuurlijk niets mis. Ik vraag me wel af of al mijn leerlingen hierop zitten te wachten. En of ze dit voor later allemaal nodig hebben. 

Toch denk ik wel dat voor ieder mens lezen leuk kan zijn. Wanneer ik dat voor de klas vertel, hoor ik al gauw dat er ook leerlingen zijn die nog nooit een leuk boek hebben gelezen. Ik houd hen dan voor dat het net is als een leuke film kijken. Ik heb nog nooit van iemand gehoord die nooit een leuke film heeft gezien. De kunst is om een boek te kiezen dat aansluit op jouw taal- en interesseniveau. 

Van lezen word je slim en taalvaardig(er). Ik zie lezen dan ook als een grote trap: ieder gelezen boek is een trede en hopelijk een uitnodiging om ook de volgende trede te nemen. Zo kom je steeds een stapje hoger: je wordt taalvaardiger en slimmer. Ik hoop dan maar dat de ingezette beweging naar boven iets aanwakkert in leerlingen wat lijkt op interesse in lezen.

Laatst heb ik een project lezen afgesloten met leerlingen uit klas 1c, een havo/vwo brugklas. Mijn doel was om deze leerlingen te verleiden tot lezen. Ik heb ze allemaal een leesboek laten kiezen, het enige criterium daarbij was dat zij het zelf een leuk boek moesten vinden. Ze kregen  een aantal weken de tijd. Als ze een boek niet leuk vonden, konden ze dus nog ruilen en opnieuw beginnen.

Vervolgens heb ik hen de opdracht gegeven een trailer te maken van 15-45 seconden te maken over hun eigen leesboek. Het doel was om de kijker te verleiden tot het lezen van het door hen gelezen boek. Mijn leerlingen gingen vervolgens met allerlei soorten software enthousiast aan de slag, met hun laptop in de klas. 

Toen de deadline voor het inleveren was aangebroken, organiseerde ik een speeddate waarbij leerlingen elkaar beoordeelden. Iedere leerling kreeg ook de opdracht de filmpjes te gebruiken om een nieuw leesboek te kiezen. De vraag was dus tweeledig: (hoe) wordt de kijker verleid en geldt dat ook voor mij?

Leerlingen zijn enthousiast op onderzoek uitgegaan en ik bereikte meer dan ik van tevoren voor ogen had: mijn leerlingen waren trots op hun resultaat, gaven elkaar erkenning en waardering, hebben in de klas flink gewerkt aan ICT-vaardigheden en nodigden elkaar uit tot lezen. Meer dan ik vooraf had kunnen wensen!

Hieronder zie je een aantal trailers van mijn leerlingen.

De Grijze Jager (Jeroen, 1c)

 

 

 

Broederband (Joost, 1c)

 

Gijzeling (Suze, 1c)

Leren solliciteren door te doen

Leerlingen in 3 havo/vwo krijgen training in sollicitatiegesprekken. Eén van de onderdelen is het samen oefenen van een sollicitatiegeprek. In groepjes verdelen leerlingen de verschillen de rollen, iedere leerling speelt een keer sollicitant en werkgever. De films gebruiken we in de klas door elkaar te voorzien van feedback. Wat valt op? Wat is er top? Welke tip(s) heb je? Deze leerlingen weten mij te verrassen met hun talent voor gesprekstechnieken. Als voorbeeld een filmpje van één van de groepjes.