Mijn complimenten!

15350449_1343873875645544_2370354975397487325_n

Ken je het tv-programma “Dreamschool”? Daarin proberen bekende Nederlanders schoolverlaters opnieuw te inspireren om zichzelf te ontwikkelen. De jongeren die centraal staan zijn tussen de 16 en 23 jaar en stuk voor stuk vastgelopen in het reguliere schoolsysteem. Hoe verschillend ze ook zijn, ik ontdek tijdens het kijken dat ze één ding gemeen hebben: een behoefte aan waardering en oprechte aandacht op het juiste moment.

 

Het is de reden waarom relaties stuklopen, werknemers ontslag nemen en vrijwilligers afhaken: Gebrek aan waardering. Het schijnt in onze volksaard te zitten; wij Nederlanders zijn goed in het aanwijzen van wat er fout is, maar niet zo bedreven in zeggen wat er wèl goed is.

William James, een Amerikaanse psycholoog, heeft gezegd: De diepst menselijke behoefte is de behoefte om gewaardeerd te worden. Waardering en oprechte aandacht, twee ‘zaken’ die niet te koop zijn, maar de mens wel het diepst raken.

In de contactmomenten met ouders die een school zoeken voor hun kind heb ik het gemerkt: Voor hen is weinig zo belangrijk als dat hun kind in beeld is en gewaardeerd wordt. Dat wij – docenten – de kwaliteiten zien van hun kind en daar aandacht aan geven. Van persoonlijke aandacht en erkenning bloeien we allemaal op. Juist een kind heeft die veilige kaders keihard nodig. Dat is niet zo maar een ‘extraatje’ dat een school kan bieden, het is de basis voor een goede schoolgang. Op een school waar professionals en ouders schouder aan schouder staan, samen zien dat ieder kind hoogbegaafd is op zijn eigen manier, daar bloeien de leerlingen op.

Mijn opleidingsdocent Ivo Mijland (Orthoconsult) zei in dit kader iets wat mij niet loslaat: “Als je elkaar echt wilt leren kennen, geef elkaar dan strooks (een soort van complimenten). Er is elke dag zoveel te zeggen over dingen die oké zijn. Doe dat dan ook!”

Op 1 maart is er de Nationale Complimentendag; bedoeld als een geheugensteuntje om eens wat vaker stil te staan bij oprechte aandacht en waardering. Natuurlijk verandert niet alles ten positieve direct al na één dag ‘extra aandacht’, maar het kan geen kwaad om eens een dag wat langer bewust stil te staan bij de impact van positieve woorden uitspreken naar een ander. Zeker in het onderwijs, waarin je “de samenleving in het klein vormt”. Ik heb besloten de norm te “leven” door met mijzelf af te spreken dat ik iedere dag één iemand in mijn werkomgeving een compliment maak. Een leerling met nieuwe schoenen, een collega met een waardevolle bijdrage, het maakt mij niet uit wat het is! Het helpt me om zo naar de ander te kijken dat hij of zij hoogbegaafd is; ieder op zijn eigen manier. Ik leer hierdoor beter te zien dat mijn omgeving uit hoogbegaafden ontstaat. Misschien ben ik het zelf ook wel…

PS Miranda Baakman stuurde me een tof filmpje nav deze blog over hoe de do’s en don’ts van complimenten: https://youtu.be/lSDO-kaIVzo

Bert Mollema

Afschaffing artikel 23 bevordert segregatie

Groenlinks wil een einde maken aan de vrijheid van onderwijs door artikel 23 van de Grondwet, dat de vrijheid van onderwijs regelt, af te schaffen. Hiervoor hebben de indieners van het wijzigingsvoorstel de volgende argumenten:

  1. Afschaffing leidt tot een striktere scheiding van kerk en staat.
  2. De financiering van ‘religieus’ onderwijs is niet meer van deze tijd en in strijd met de scheiding van kerk en staat.
  3. Het huidige systeem draagt bij aan segregatie.

Dit lijken redelijke argumenten om de discussie rondom het bijzonder onderwijs aan de orde te stellen. Maar wie wat dieper kijkt naar de inhoud ervan, kan daar op zijn minst een aantal flinke vraagtekens bij zetten. Zo zaait het eerste argument op zijn minst twijfel over de striktheid waarmee de scheiding van kerk en staat nu geborgd is. Ik zie in het voorstel geen aanwijzingen die aantonen dat kerk en staat niet voldoende gescheiden zijn. Ik vraag me dan ook af waar de twijfel daaraan bij de initiatiefnemers vandaan komt. Door te stellen dat religieus onderwijs niet meer van deze tijd is, zeg je eigenlijk: het is in 2016 ongeloofwaardig om aan zingeving te doen door een relatie te zoeken in het bestaan van een God en de invloed hiervan op ons dagelijks leven. Oftewel: laten we niet als samenleving onderwijs financieren dat aan zingeving doet die niet past bij onze opvatting hiervan. Daarmee schaf je het bijzonder onderwijs niet af, maar vervang je haar voor onderwijs vanuit een atheïstisch perspectief. Groenlinks noemt dat: ‘openbaar’ onderwijs, maar eigenlijk is het ‘uniform’ onderwijs: laat alle scholen vanuit gelijke visie aankijken tegen onderwijs. Dat is net zo onzinnig als christenen die zouden voorstellen van elke ‘openbare’ school een christelijke te maken, omdat zij ‘toevallig’ wel geloven in zingeving vanuit Bijbels oogpunt. Stelt u zich eens voor dat een partij als de SGP dat zou doen: het land zou te klein zijn… Laat Jesse Klaver mij wetenschappelijk aantonen dat het bestaan van een God voor 100% uit te sluiten valt en hij is wat mij betreft de eerste die de bijl aan de wortel van het christelijk onderwijs mag zetten. In dat opzicht is ook het atheïsme ‘maar’ een overtuiging.

Het laatste argument – angst voor segregatie – is goed te begrijpen gezien de huidige spanningen in onze samenleving . In tijden van onzekerheid zal niemand pleiten voor afzondering van een bevolkingsgroep in onze maatschappij. Alleen werkt zo’n wetsvoorstel averechts. Door als overheid uitsluitend ‘openbaar’ onderwijs te faciliteren, stimuleer je geen vrij denken, maar sluit je zingeving die niet gestoeld is op seculiere idealen, op voorhand uit. Maar daarmee verdwijnt de behoefte om die zingeving vorm te geven niet. Wil je verbindingen in een veelkleurige samenleving, zorg dan dat je als overheid verbindend optreedt in de wijze waarop je verschillende soorten scholen naast elkaar laat bestaan. Ik vraag me af welk beeld de indieners van dit voorstel hebben van het bijzonder onderwijs.

Op de school waar ik zelf werk (christelijk voortgezet onderwijs) zien wij iedere leerling als uniek (gemaakt door God). Wij benaderen onze leerlingen respectvol en behandelen wij hen niet allemaal hetzelfde, juist omdat ze verschillend zijn. We doen dat op een positieve manier; we behandelen hen zoals we zelf behandeld willen worden. Dat is voor mij een kernwaarde van christelijk onderwijs. En ja, er wordt in de lessen soms vanuit een ander perspectief gekeken naar deze wereld dan Groenlinks dat doet. Maar dat betekent toch niet dat niet ook christelijke scholen zich voor de opdracht gesteld zien om op een positieve manier bij te dragen aan de samenleving van de eenentwintigste eeuw? Ik zie geen enkel redelijk argument om daar vanaf te willen, tenzij uit antigodsdienstig motief. Ik heb daar geen waardeoordeel over, maar ben wel oprecht benieuwd wat deze politieke partij hierin drijft. Omdat ik er vanuit ga dat een organisatie als Groenlinks vast meer van haar leden zal vragen dan ‘dat zij de grondslag van de organisatie respecteren.’ Logischerwijs om eenheid in de partij te bewaren en haar idealen te kunnen uitdragen. Zou dat recht op het bewaken van de grondslag en bewaren de eenheid niet voldoende reden moeten zijn om artikel  23 juist met rust te laten? Juist dat lijkt mij nodig in deze tijd.

Investeer in de start van je schooljaar

In een week of zes kan veel gebeuren. Leerlingen rusten uit, hervinden energie, krijgen nieuwe vrienden op campings, vakantierelaties, (familieleden) worden ziek, er gaan huisdieren dood, slaapkamers worden opgeknapt, leerlingen – kortom – maken van alles mee en dan is het weer september.  

Voor leraren geldt min of meer hetzelfde. In de eerste vakantieweek wordt het jaar nog afgerond, losse eindjes afgehecht en er wordt teruggeblikt. De collega-appgroep pruttelt nog even door. ander deelt alvast fanatiek zijn ideeën voor het volgende jaar en reflecteert er nog lustig oplos. Een enkeling verdraagt dat niet en stapt er resoluut uit. Enfin, langzaam maar zeker gaat ook bij de leraren de vaart eruit. Totdat in de laatste vakantieweek de e-mailstroom weer op gang komt, lesplannen worden gedeeld, blauwe vinkjes weer verschijnen en alles weer zijn dagdagelijkse gang herneemt.

Al deze mensen, vol verhalen en ervaringen, komen in de eerste lesweek weer bij elkaar. Met keurige lege schriften, geordende onedrives, voornemens het hele jaar geordend te blijven werken. De leraar gaat van begin af aan duidelijk zijn, (ruimte kun je de rest van het jaar altijd nog weggeven). Leerlingen gaan formen, normen, stormen en performen. Je begrijpt, de eerste schoolweek is meteen een cruciale.  

Op Guido werken wij daarom in de eerste weken van het jaar aan een aangepast programma, waarbij veel ruimte is voor leraar en leerling om een goede start te maken. De eerste vier weken bij ons op school heten dan ook De gouden weken. In deze periode willen we ruimte maken om het contact tussen leerlingen, leraar en ouders de aandacht te geven die dat verdient met het oog op een goed schooljaar.  

Juist omdat de start van een schooljaar kansen biedt om ruimte te maken voor zaken waar je anders weinig ruimte voor ervaart, bijvoorbeeld onderlinge ontmoeting. Je wordt nog niet in beslag genomen door de drukte van de dag die het werken in het onderwijs met zich mee kan brengen. Je hebt de tijd om echt contact te maken. Een goede investering waar je gedurende het schooljaar de vruchten van plukt. Wat is er nou mooier dan dat je die eerste dagen elkaar enthousiasmeert, grappen maakt en spart over je samenwerking? Zonder dat je gelijk allerlei dingen moet. Je hebt dan echt oog voor de ander en de ander voor jou, met het oog op het ontwikkelen van een veilig leerklimaat voor leraren en leerlingen.

Zo zijn we het nieuwe jaar vorige week maandag begonnen met een nieuwjaarsontbijt. Samen ontbijten met de collega’s, vragen naar elkaars vakantie en delen hoe het met je gaat.

Vervolgens zijn we in onze eigen teams uiteengegaan om kennis te maken met de (nieuwe) collega’s, d.m.v. het spel Twee waarheden, één leugen. Ieder teamlid vertelt iets over zijn vakantie, zijn werk en iets persoonlijks. De kunst is om dan te achterhalen in welk van de drie verhalen een leugen verstopt zit. Succes gegarandeerd! Ook hebben we het gehad over de verwachtingen die je over en weer hebt. Van je collega’s en je leidinggevende, maar ook wat een ander van jou mag verwachten. De opbrengsten hebben we verwerkt in teammanifesten, waarin we hebben vastgelegd hoe wij dit jaar met elkaar willen samenwerken.

De tweede dag hebben we met alle ouders en personeelsleden elkaar een gelukkig nieuw (school)jaar gewenst tijdens een nieuwjaarsreceptie, onder het genot van een glas champagne en een oliebol. Voor ouders een kans om de leraren en andere medewerkers van de school te ontmoeten. Als personeelsleden een mooie gelegenheid om contact te maken met ouders. Informeel en laagdrempelig. Het resultaat? Opgetogen gezichten van ouders en medewerkers die een onderlinge band ervaren. Dat komt het onderwijs aan en de begeleiding van hun kind ten goede.

De dag erna is het de beurt aan de leerlingen: Verspreid over twee dagen komen ze de school weer binnen. Leerlingen hebben de eerste dagen alleen les van hun mentor, waarbij er wordt geïnvesteerd in positieve groepsvorming d.m.v. allerhande ludieke (buitenschoolse) activiteiten. 

Het was een mooie relaxte eerste schoolweek. We zijn begonnen aan het leggen van een stevig fundament voor het school jaar. Over anderhalve week hebben we de startgesprekken met mentoren, ouders, en leerlingen over de persoonlijke leerdoelen van de leerlingen komend jaar en de rol die we als leraren en ouders kunnen spelen bij het bereiken van deze doelen.  

Wij hebben de afgelopen jaren gemerkt dat deze aanpak zorgt voor een enorm positieve vibe in onze school. We raken doordrongen van het idee dat we het SAMEN doen. Als leraar vol goede voornemens, als ouders vol verwachtingen, als leerling, gespannen voor een nieuw schooljaar, hoofd en hart nog vol van zes weken vakantiebelevenissen.  

De brugklas? Die start bij ons in juni!

 
Laatst hebben wij op school weer de waarde van ouderbetrokkenheid 3.0 ervaren. Het leek me leuk om daar een blog aan te wijden. Voor professionals in het onderwijs om ideeën uit te halen. Maar ook bedoeld als uitnodiging om te reageren wat jouw ervaring is op dit gebied. Vorige week kwamen alle aankomende brugklasleerlingen samen met hun ouder(s) op onze uitnodiging een middag op school. Zij bezochten onze school niet voor het eerst, maar waren nu wel voor het eerst als leerling /ouder officieel op de school van hun keuze. Voor de meeste leerlingen is dat een bijzondere ervaring die hen even stilzet bij een nieuwe stap in het leven. Je ziet het aan al die gezichten die binnenkomen: vol van verwachting en blijdschap, spanning en zenuwen. Ze hebben vast dezelfde vragen die ik ooit als tiener had: hoe is het om de stap te maken naar een middelbare school? En heb ik een goede keuze gemaakt om voor de Guido te kiezen?

Ik weet dat er nog altijd scholen zijn die hun nieuwe leerlingen pas na de zomer verwelkomen. En dat doen door te starten met wat er allemaal van hen wordt verwacht. Je legt daarmee druk op het kind en legt de focus op de prestaties. Het resultaat staat centraal. Met de kennis en ervaring die wij op de Guido nu hebben vinden wij dat onbegrijpelijk. Wij vinden het van het grootste belang dat een leerling vanaf het begin in een veilige setting komt. De focus ligt niet op wat je doet, maar op wie je bent. Wij schenken aandacht aan het gegeven dat je er mag zijn. En dat vieren we samen op zo’n kennismakingsmoment.
Wij vragen ook aan alle ouders om mee te komen. Zij spelen immers een sleutelrol in een goede samenwerking en uiteindelijk een plezierige en succesvolle schoolperiode. We gaan dan apart met hen hierover in gesprek. Voor de leerlingen is het doel om elkaar te leren kennen. Verder laten we zien hoe je je goed kunt voorbereiden op je start na de zomer. Onze mentoren weten hier op een creatieve en betrokken manier zichtbaar vorm aan te geven. Toen ik aan het einde van de middag alle gezichten met een vrolijke glimlach, zichtbaar opgelucht, de school weer zag verlaten, dacht ik: missie geslaagd!

 

Terug naar de start van de middag: terwijl de leerlingen druk aan het kennismaken waren met elkaar en hun mentor, hadden mijn collega Henk ter Haar en ik de kans alle ouders te ontmoeten. We schonken aandacht aan ouderbetrokkenheid 3.0. Want wij willen een school zijn waar ouders niet langs de zijlijn staan, maar actief bij het onderwijs aan en de begeleiding van hun kind worden betrokken.

Ons doel was om samen informatie te delen zodat hun kind / onze leerling zo goed mogelijk op onze school kan starten. We organiseerden het onderlinge gesprek over verwachtingen op onze school, over hoe zij hun kind zien, wat hun kind nodig heeft, en wat zij zelf kunnen bijdragen aan een succesvolle start op de Guido. We sloten af met de opdracht door iedere ouder een beeld te laten ontwikkelen van hun kind in de vorm van een poppetje. Al die poppetjes hangen nu bij ons in de personeelskamer zodat aankomend brugklasdocenten onze leerlingen alvast kunnen leren kennen, nog voor zij bij ons op school zijn.


Verder hebben we een huidige ouder uitgenodigd om iets te vertellen over haar ervaringen als ouder op school als het gaat om goede samenwerking en hoe dat te bereiken. Leuk om te zien dat er een open gesprek ontstaat waarbij ouders onderling alles aan elkaar durven te vragen over onze school.

De afsluiting bestond uit een foto van iedere klas leerlingen / samen met een foto van alle ouders uit die klas. Een waardevol beeld om zelf zichtbaar in de school te hangen en ook om aan ouders uit te delen.

Niet alleen de samenwerking tussen school en de ouders is het waard om aandacht te geven. Ook wanneer ouders elkaar leren kennen schept dat een band. En dus een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Ik ben mij er van bewust dat vast niet al die ouders (en leerlingen) dit verhaal lezen, maar dat weerhoudt mij er niet van om hen enorm te bedanken voor de positieve ervaring die Henk en ik hebben opgedaan in het contact met deze mooie nieuwe mensen die op ons pad zijn gekomen. Ik zie uit naar het nieuwe schooljaar waarin we elkaar meer mogen leren kennen en samenwerken.

We hebben de dankbare taak dat al die kinderen (onze leerlingen) met plezier naar de Guido komen en nieuwe dingen mogen leren die passen bij ontwikkeling. Ik geniet elke dag van de ontwikkeling die ik van mijn leerlingen meemaak en kan daar enorm van leren. Hoe mooi is het dan te weten dat er weer een nieuwe generatie leerlingen aan komt. Dat genieten heeft ook alles te maken met het feit dat we op de Guido investeren in de relaties voordat we met elkaar samenwerken. Ik zie dan ook uit naar het volgende contactmoment met die ouders: de nieuwjaarsreceptie in augustus. Ouders hebben dan de kans om op een interactieve manier kennis te maken met de docenten van hun kind. We gaan er straks een mooie start van maken na de zomer, nog voordat al die leerlingen op school komen. De oliebollen zijn al besteld en staan klaar op dinsdag 6 september vanaf 19.30 uur!

 

Wilt u of wil jij meer lezen over ouderbetrokkenheid in het onderwijs? Ik kan het boek van Peter de Vries (CPS) over ouderbetrokkenheid van harte bij je aanbevelen, gratis te downloaden op de website van het CPS.

 

 

 

Leerlingen verleiden om te gaan lezen

Als docent Nederlands ervaar ik een aanwezig verschil in interesse en niveau onder leerlingen v.w.b. (jeugd)literatuur. Nu zie ik het niet als missie om aan mijn leerlingen de breedte van de vaderlandse literaire (jeugd)literatuurgeschiedenis over te dragen. Ik wil geen hobbyist zijn die zijn voorliefde voor lezen aanstekelijk opdringt aan een groep pubers. Met die voorliefde – en het daaruit voortkomende enthousiasme – is natuurlijk niets mis. Ik vraag me wel af of al mijn leerlingen hierop zitten te wachten. En of ze dit voor later allemaal nodig hebben. 

Toch denk ik wel dat voor ieder mens lezen leuk kan zijn. Wanneer ik dat voor de klas vertel, hoor ik al gauw dat er ook leerlingen zijn die nog nooit een leuk boek hebben gelezen. Ik houd hen dan voor dat het net is als een leuke film kijken. Ik heb nog nooit van iemand gehoord die nooit een leuke film heeft gezien. De kunst is om een boek te kiezen dat aansluit op jouw taal- en interesseniveau. 

Van lezen word je slim en taalvaardig(er). Ik zie lezen dan ook als een grote trap: ieder gelezen boek is een trede en hopelijk een uitnodiging om ook de volgende trede te nemen. Zo kom je steeds een stapje hoger: je wordt taalvaardiger en slimmer. Ik hoop dan maar dat de ingezette beweging naar boven iets aanwakkert in leerlingen wat lijkt op interesse in lezen.

Laatst heb ik een project lezen afgesloten met leerlingen uit klas 1c, een havo/vwo brugklas. Mijn doel was om deze leerlingen te verleiden tot lezen. Ik heb ze allemaal een leesboek laten kiezen, het enige criterium daarbij was dat zij het zelf een leuk boek moesten vinden. Ze kregen  een aantal weken de tijd. Als ze een boek niet leuk vonden, konden ze dus nog ruilen en opnieuw beginnen.

Vervolgens heb ik hen de opdracht gegeven een trailer te maken van 15-45 seconden te maken over hun eigen leesboek. Het doel was om de kijker te verleiden tot het lezen van het door hen gelezen boek. Mijn leerlingen gingen vervolgens met allerlei soorten software enthousiast aan de slag, met hun laptop in de klas. 

Toen de deadline voor het inleveren was aangebroken, organiseerde ik een speeddate waarbij leerlingen elkaar beoordeelden. Iedere leerling kreeg ook de opdracht de filmpjes te gebruiken om een nieuw leesboek te kiezen. De vraag was dus tweeledig: (hoe) wordt de kijker verleid en geldt dat ook voor mij?

Leerlingen zijn enthousiast op onderzoek uitgegaan en ik bereikte meer dan ik van tevoren voor ogen had: mijn leerlingen waren trots op hun resultaat, gaven elkaar erkenning en waardering, hebben in de klas flink gewerkt aan ICT-vaardigheden en nodigden elkaar uit tot lezen. Meer dan ik vooraf had kunnen wensen!

Hieronder zie je een aantal trailers van mijn leerlingen.

De Grijze Jager (Jeroen, 1c)

 

 

 

Broederband (Joost, 1c)

 

Gijzeling (Suze, 1c)

Leren solliciteren door te doen

Leerlingen in 3 havo/vwo krijgen training in sollicitatiegesprekken. Eén van de onderdelen is het samen oefenen van een sollicitatiegeprek. In groepjes verdelen leerlingen de verschillen de rollen, iedere leerling speelt een keer sollicitant en werkgever. De films gebruiken we in de klas door elkaar te voorzien van feedback. Wat valt op? Wat is er top? Welke tip(s) heb je? Deze leerlingen weten mij te verrassen met hun talent voor gesprekstechnieken. Als voorbeeld een filmpje van één van de groepjes.

Horizontale sturing is de redding voor de ongemotiveerde en luie leerling (en docent)


Het onderwijs op de school waar ik werk is volop in beweging. Als een van de weinige scholen in Arnhem is er sprake van een flinke leerlingengroei op onze school met ongeveer 30%. Dat is natuurlijk een mooi percentage.

Groei in leerlingenaantallen is wat mij betreft niet een doel op zich. Maar het is wel prettig om te constateren dat een school in een krimpregio in twee jaar tijd groeit van 120 naar bijna  200 leerlingen. Dat biedt financieel meer mogelijkheden, we zijn erdoor in staat om verder te werken aan professionalisering om de kwaliteit van ons onderwijs te verbeteren.

In de kennismakingsgesprekken die wij met ouder(s)/verzorger(s) (inclusief kind) voeren is één van de vragen hoe zij bij onze school terecht zijn gekomen. Het meest gehoorde antwoord is dat ze op het spoor van onze school zijn gezet door mensen in hun netwerk die kinderen op onze school hebben. Het lijkt erop dat klassieke mond-tot-mond reclame ook in een tijd van veranderingen nog altijd een goede manier van marketing is.

Vanuit die wetenschap  vind ik het een interessante vraag hoe de relatie eruit ziet tussen tevredenheid van leerlingen en ouders en de manier waarop wij ons onderwijs inrichten. De afgelopen maanden kom ik tot de ontdekking dat ik het antwoord op die vraag niet moet zoeken in systemen, overheden  of andere organen die niet binnen mijn cirkel van invloed liggen. 

Zo gebruikte minister Bussemaker het OESO-rapport als zeepkist om te verkondigen dat het eigenlijk heel goed gaat met ons onderwijs. Ik verwonder mij over dat beeld want ik vraag me af hoe je kunt stellen dat het Nederlandse onderwijs tot het beste ter wereld behoort terwijl er geen land is waar leerlingen zo ongemotiveerd zijn voor de dagelijkse schoolgang? Dat klinkt voor mij als de wereldvoetbalbond FIFA die aangeeft dat de bouw van de voetbalstadions voor het WK in Qatar in 2022 succesvol verloopt, terwijl iedereen de schrijnende omstandigheden kent van de arbeiders die deze voetbaltempels aan het bouwen zijn. Voor mij is het een wonder dat ons onderwijs – ondanks het systeem in Nederland- uberhaupt nog functioneert. Hoe dat kan anno 2016, daarover zet t Jan Rothmans in zijn boek Verandering van tijdperk  een interessante analyse uiteen:  We leven  in een tijd waarin een onderstroom van conservatieve krachten aanwezig is die ons onderwijs zoveel mogelijk bij het oude willen laten.

Een aardig voorbeeld van zo’n conservatieve kracht, trof ik aan in het artikel van Lotte Jensen dat op 27 mei jl. in de Volkskrant verscheen. Deze universitair hoofddocent Nederlandse letterkunde aan de Universiteit Nijmegen bepleit dat een ieder zichzelf respecterend land zou het onderwijs in de eigen taal en cultuur de hoogste prioriteit moeten geven. Anders dreigt er een regelrechte ramp, namelijk een land zonder goed geschoolde docenten Nederlands. Het is voor mij de vraag hoe desastreus dat eigenlijk is. Hoe had de samenleving gereageerd als de directie van V&D in de media had gepleit om toch vooral artikelen bij de V&D te blijven kopen omdat er anders een regelrechte ramp dreigt, namelijk het verdwijnen van haar keten uit het klassieke straatbeeld? Het klinkt voor mij  een beetje als: Wij van WC-eend adviseren u WC-eend! De les die ik uit het faillissement van V&D trek: ga met je tijd mee om te voorkomen dat je vastloopt. 

Volgens Ben van der Hilst – auteur van het boek Blauwdruk voor de emergente school – gaat dat met  onderwijs waarin wordt samengewerkt om de school te laten functioneren als innovatieve en lerende organisatie. Dit boek ben ik aan het lezen – ik ben op de helft – en ik merk dat ik ontwaak uit een soort winterslaap van traditioneel denken. Ik geloof dat ik dan op de goede weg ben, want hij start zijn boek met de uitspraak: in organisaties waar het wakker liggen goed geregeld is, wordt het best geslapen. De afgelopen weken ben ik als docent  een beetje wakker geworden: zo heb ik mijn methode Nieuw Nederlands weggelegd en ben in plaats daarvan een aantal projecten gestart waar leerlingen in groepen aan een product werken. Dit varieerde van sollicitatiefilmpjes samenstellen tot tijdschriften ontwerpen en boekentrailers maken. Mijn leerlingen kregen een aantal weken de ruimte om zelf te bepalen welke inhoud zij nodig hebben om mijn doelen te bereiken en vanuit welke rol of positie zij dat willen doen. Leerlingen betrok ik bij de beoordeling. Het proces ervan gebruikte ik om te onderzoeken hoe het resultaat tot stand is gekomen en welke bruikbare lessen hieruit kunnen worden opgemaakt.

Wanneer ik terugblik op de drie verschillende klassen en opdrachten, dan ontdek ik een herkenbaar patroon: mijn leerlingen waren gemotiveerder dan ooit en hebben meer geleerd dan ze ooit met mijn klassieke verticale sturing hadden kunnen bereiken. Leerlingen die duidelijke doelen en kaders krijgen, maar zelf mogen meedenken in de inhoud en vorm van hun eigen leerproces, vanuit horizontale sturing. De docent die met hen meedenkt en meebeweegt. Vanuit die coachende houding ervaar ik dat ik als docent mijn leerlingen ontmoedig een luie of ongemotiveerde houding in te nemen. Dat vind ik eigenlijk wel een mooie ontdekking en aanvulling op de blauwdruk voor mijn eigen lessen. Die werkwijze voelt prettig en dat gevoel gun ik mijn leerlingen en collega’s:  Motivatie en actiebereidheid om te leren in een omgeving waarin niet langer topdown wordt geregeerd maar een omgeving waarin horizontaal de richting wordt gewezen. En methodes dan? Die dienen nu een ander doel.

Transfer


Bijna twintig jaar geleden leerde ik op de lerarenopleiding de betekenis van het woord transfer. Tot die tijd betekende dat woord niet meer dan de overgang van een voetballer naar een andere voetbalclub. Tot mijn (toenmalige) docente vakdidactiek aan de lerarenopleiding mij duidelijk maakte dat transfer noodzakelijk is om tot begrip te komen. De overdracht van kennis op mijn leerlingen was een voorwaarde voor mijn leerlingen om tot goede resultaten te komen. En de verantwoordelijkheid? Die lag bij mij!

En dus ging ik als student – en later als beginnend docent – hard aan het werk om voor mijn leerlingen de inhoud van mijn lessen zo goed mogelijk uit te leggen. Het liefste zoveel mogelijk vanuit de methode, want de uitgevers, die hebben er vast verstand van. Mijn leerlingen zaten in rijtjes, luisterden naar mijn uitleg, maakten mijn opdrachten en keken samen met mij hun huiswerk na. En vooral: maakten voortdurend toetsen. Immers, vertrouwen is goed, maar controle is beter?

En als een leerling niet wilde meewerken? Meestal wist ik mijn leerlingen wel te overtuigen om uit fatsoen stil te zijn en mee te doen. Maar ik liet het ook gerust aankomen op een conflict: porties strafwerk, schreeuwen tegen leerlingen, uitstuurformulieren uitdelen; ik zou ze laten merken wie hier de baas was.

Tot het moment dat ik bij ons op school met de harde vraag werd geconfronteerd wat eigenlijk het bestaansrecht is van een christelijke school in een relatief seculiere omgeving als Arnhem, wanneer onze traditionele achterban niet vanzelfsprekend meer voor onze school koos? Teruglopende leerlingenaantallen dwongen ons om na te denken over wie wij zijn, voor wie wij er zijn, waar we onze leerlingen op voorbereiden en hoe we dat dan doen.

Ik kwam erachter dat ik mijn leerlingen niet aan het voorbereiden was op hun toekomst, maar op mijn eigen geschiedenis: die van de 20e eeuw. Dat zij – net als ik zelf ooit – weinig invloed hadden op hun leerproces. Mijn leerlingen waren er voornamelijk om mij aan een baantje te houden. Niet mijn leerlingen stonden centraal in mijn onderwijs,  maar ikzelf.

Het roer moest om. Niet iedere leerling is hetzelfde, dus waarom zou ik ze dan wel allemaal een gelijke behandeling geven in mijn lessen? Waarom moest ik kiezen wat, hoe en met wie een leerling graag leert? Het leren ben ik als een gezamenlijke verantwoordelijkheid gaan beschouwen, waar ik zelf minstens zoveel van leer. Ik begon mij te verdiepen in activerende didactiek en samenwerkend leren. Mijn leerlingen kregen afwisseling in werkvormen, het vertrouwen om op hun eigen manier zich inhoud eigen te maken. Ik kauwde de stof niet meer droog voor maar liet mijn leerlingen het zelf ontdekken.

Ik was niet langer het podiumdier in mijn eigen voorstelling, maar de organisator die  zijn leerlingen het podium gunde. En ik begon dat te merken. Ik zag mijn leerlingen groeien in zelfbewustzijn, verantwoordelijkheidsbesef en vermogen om te reflecteren! En mijn band met de leerling werd enorm versterkt.

Nu een aantal jaren later kan ik enorm genieten van mijn lessen waarin leerlingen heel bewust kiezen om mijn uitleg wel of niet te willen volgen. Leerlingen die kiezen voor een computer i.p.v. een boek. Leerlingen die liever in tweetallen ergens anders in het gebouw werken of bij mij aan tafel in gesprek willen. Ik stimuleer leerlingen daarover na te denken, ik geef hen ruimte vanuit vertrouwen en merk dat zich dat uitbetaalt. De vorm en inhoud van mijn lessen veranderen voortdurend sinds ik mijzelf heb voorgenomen dat ik ook elke dag naar school kom om te leren.

Gaandeweg kom ik steeds meer achter de ware betekenis van het woord transfer: een verbinding tussen leerling, inhoud en docent die groter wordt naarmate ik meer een stapje terugdoe om leerlingen de ruimte te geven. De manier waarop ik dat doe, wil ik elke dag opnieuw aanpassen aan hun belevingswereld en de eisen van de toekomstige tijd.

Samen voortdurend reflecteren op waar we mee bezig zijn. Ik was het niet zo gewend, maar eenmaal hieraan begonnen kan ik ronduit zeggen dat ik iedere docent een omgeving wens waarin je je voortdurend aan elkaar spiegelt. Voor de noodzakelijke dagelijkse transfer om fris te blijven voor jezelf en je leerlingen.